Een fragment uit:

Een eerste keer voor alles

 

‘Mag ik je vragen stellen, of heb je liever dat ik gewoon

mijn kop houd?’ ‘Hou maar gewoon je kop’, zegt ze met

een scheve lach.

 

Laatst zag ik haar lopen. De zon straalde, net zoals alle

kindersnoetjes. Sinterklaas zou die dag aankomen. Zij

straalde niet en had dat zo te zien ook al heel lang niet

gedaan. Haar schoenen mochten de naam schoenen

niet meer dragen, en hadden hun functie al lang ge-

leden verloren. Ik probeerde oogcontact te maken. Ze

voelde het en keek terug.

 

‘Als je wilt, mag je nieuwe schoenen uit komen zoeken.’

Ze keek me aan alsof ik gek was. ‘Gewoon, cadeautje’,

vervolgde ik voor de zekerheid. Niet gek, maar ge-

stoord, zeiden haar ogen. ‘Ik moet er even over naden-

ken.’ ‘Is goed, dat daar is mijn winkel, dan weet je me

nu te vinden.’ Toen ze wegliep, zag ik haar haar broek

ophijsen, die ook gelijk weer afzakte. Een nieuwe broek

was dus ook geen overbodige luxe.

 

Ik had een flinke bui over me heen gekregen, onderweg

naar de winkel, was doorweekt tot op mijn ondergoed

en voelde me heel koud en zielig. Nog ongesteld ook,

alles en de hele wereld vond ik stom. Ik ben heel goed

in zwelgen.

 

En toen stapte ze binnen. Het was inmiddels twee we-

ken later, weken waarin ik haar regelmatig langs had

zien lopen en naar binnen had zien kijken. Misschien

moest ze eerst moed verzamelen.

 

Ze voelde zich duidelijk opgelaten, en ik moest eerlijk

gezegd ook even mijn toon vinden, terwijl ik echt altijd

met en tegen alles en iedereen praat. Het gebruikelijke

winkelpraatje ging hem nu in ieder geval niet helemaal

worden. Over het algemeen hoeven vrouwen niet zo op

hun gemak gesteld te worden, en kijken ze niet zo hon-

gerig naar de snoeppot om, na die half leeg gegeten te

hebben, te verzuchten dat het wel honderd jaar geleden

lijkt dat ze zo’n lekker snoepje hebben gehad. Zijn ze

meestal ook niet zo stug en wantrouwend.

 

Woorden spreken deed sowieso alleen letterlijk al zicht-

baar pijn omdat de tandarts, al even zichtbaar, veel te

lang geleden was. Medelijden leek mij het ergste wat

je kunt tonen, maar mijn God, vrouwen zijn echt niet

gemaakt om er zo bij te lopen. Gelukkig moest ik toch

mijn kop houden, wat koetjes en kalfjes, hooguit. Koffie

zetten had ze meer aan. ‘Mag ik er misschien alsjeblieft

nog eentje?’

 

Schoenen dus. Een broek. Winterjas. Warme trui.

‘Niet teveel, het moet in mijn tas passen, en ik moet

het kunnen tillen.’ Toch ook nog een trui waarvan ze

zei, ‘Zo zag ik er vroeger uit, die bewaar ik voor kerst.’

Zoveel woorden, in die paar zinnetjes.

 

In de spiegel kijken had ze al heel lang niet gedaan en

vond ze spannend, een flinke drempel over dus. Maar

toen ze het uiteindelijk deed zag ze niet wat de mees-

te vrouwen die hier voor de spiegel staan zien, hier te

breed, daar te lang, altijd wat. Zij keek, en straalde.

 

Begon dit verhaal daar niet mee, met dat stralen? ‘Kíjk

nou, dat ben ik!’ Ik hoefde nog steeds niet veel te zeg-

gen, beter van niet zelfs. Wat zij zag was genoeg, en al-

les wat ik zag, was te veel. Want het was zo ontzettend

weinig.

 

Ze geloofde overduidelijk pas echt dat ze in haar nieu-

we kleren naar buiten zou lopen, toen ik haar oude kle-

ren, en de kersttrui, in een tas had gedaan. Eentje met

rits, constateerde ze blij. Daar had een andere klant

haar oude kleding in gebracht. Aan de onderkant van

de samenleving is het verschil tussen een oude bood-

schappentas zonder rits, of een oude boodschappentas

met rits, levensgroot. Sommige dingen wil ik eigenlijk

niet weten.

 

‘Waarom doe je dit’ vroeg ze, ineens wat losser. ‘Om-

dat wij vrouwen voor elkaar moeten zorgen’, zei ik. ‘Je

weet niet half hoe blij je mij gemaakt hebt’, ze bleef

mijn hand maar schudden (de ontzettend kale waar-

heid is dat ik direct mijn handen ging wassen toen

ze weg was). Hoeft ook niet. De rest van de dag durf-

de ik mijzelf niet meer zielig te vinden. Ik wist dat ik

‘s avonds weer naar een thuis zou gaan. En dat is zoveel

meer dan velen kunnen zeggen.

 

Oogcontact. Kíjk naar elkaar. Al is het maar even. Dat

is het enige wat ik met dit bericht (en dit boek) wil

zeggen. Het kan de wereld zoveel mooier maken. Niks

groots, gewoon heel klein, dichtbij. Maar misschien wel

een wereld van verschil voor iemand, iemand als Wen.

Op versleten schoenen

'Op versleten schoenen' vertelt het verhaal van Wen, vanuit het oogpunt van Charlie.

 

Het is een verhaal over de bijzondere relatie tussen twee vrouwen, ieder aan hun eigen kant van de samenleving. Daar waar een flinterdun lijntje zomaar een wereld van verschil kan maken.

 

Maak kennis met Wen, een vrouw die dakloos werd.

"Charlie de Bruin is al vanaf het allereerste uur een vriendin van de stichting Samen voor Thuislozen.

 

Ik durf wel te zeggen dat we zonder haar hulp nooit zover waren gekomen. Met haar kennis, contacten, goede adviezen en vooral haar leeuwenhart spreekt ze open en eerlijk over dakloze mensen en onze samenleving. Wat mij betreft verdient Charlie een lintje!

 

Charlie, bedankt — je bent een kanjer!"

 

Joran van Mil 

Voorzitter & Initiatiefnemer

Stichting Samen voor Thuislozen

Bij iedere donatie boven €15,- krijg je dit geweldige boekje kado, je helpt de stichting en dakloze mensen als Wen!

We hebben je toestemming nodig om de vertalingen te laden

Om de inhoud van de website te vertalen gebruiken we een externe dienstverlener, die mogelijk gegevens over je activiteiten verzamelt. Lees het privacybeleid van de dienst en accepteer dit, om de vertalingen te bekijken.